Oude gebruiken in de winter en in het voorjaar – de tijd van veel feesten.

In de winter- en voorjaarsmaanden worden er meer oude gebruiken op vaste data gevierd dan in de zomer. Dat is vooral het geval, omdat het boerenwerk in de zomers steeds omvangrijk was en de mensen in de winter gewoon meer tijd hadden.

Inhoud delen

Bedankt voor uw waardering

Sinterklaasgebruiken

De zogeheten sinterklaasgebruiken concentreren zich op de vooravond van de sinterklaasdag (6 december), maar beginnen in het Glarnerland al eind november en eindigen in het Appenzeller achterland begin januari. De sinterklaasdag zelf (in Duits-Zwitserland "Samichlaus") is vooral een feest voor de kinderen. In katholieke gebieden oefenen de kinderen voor deze dag speciale sinterklaasversjes, die ze dan opzeggen voor Samichlaus (bisschopsfiguur) en zijn knecht (Schmutzli, Butzli, père fouettard) en daarvoor met lekkernijen beloond worden. Vrouwelijke tegenhangers van sinterklaas zijn er in het Italiaanstalige Ticino (Befana) en in het Franstalige West-Zwitserland (Chauche-vieille).

Kerstgebruiken

Tijdens het concilie van Nicea in het jaar 325 werd de geboorte van Christus op 25 december vastgelegd. Met deze in de buurt van de winterzonnewende gelegen datum moesten de heidense feesten in de midwintertijd in de schaduw gesteld worden. Het aanvankelijk puur kerkelijke kerstfeest ontwikkelde zich langzamerhand tot familiefeest met de kerstmaaltijd als hoogtepunt. De traditionele pakjesavond en de kerstboom verspreide zich pas in de 20ste eeuw van de stedelijke centra naar de dorpen. In Ticino wordt volgens oud gebruik in de regel thuis de kribbe neergezet en op het dorpsplein een versierde kerstboom. Liederen en instrumentale muziek zijn de belangrijke elementen van het kerstgebruik geworden. Naast de huismuziek zijn concerten in de kerk, blazen vanaf de toren, zingen van jeugdkoren, gemeenschappelijk zingen en de aubades van het Leger des Heils in de adventstijd geliefd. Ze dienen vaak goede werken, waarbij het financieel ondersteunen daarvan steeds meer het geven van persoonlijke geschenken vervangt.

Het driekoningenzingen

Het driekoningenzingen, dat tussen de vierde advent en driekoningendag (6 januari) een gebruik is, valt te herleiden tot middeleeuwse spelen. De driekoningenzangertjes, vaak als Drie Koningen verklede kinderen of een koor met de ster, zingen op pleinen of gaan van huis naar huis en symboliseren daarmee de saamhorigheid van alle gemeenteleden. In Luzern en Wettingen, kanton Aargau, wordt op zondag voor kerst een driekoningenzangertjesspel opgevoerd.

Gebruiken rond de jaarwisseling

Op oudejaarsavond knallen niet alleen de kurken. Het einde van het jaar wordt op veel plaatsen met luidruchtige optochten, daverend vuurwerk, trommelen, bellen, knallende zwepen en vermomde figuren gevierd. Op die manier moeten volgens oude traditie in de oudejaarsnacht kwade demonen en geesten op afstand gehouden worden. De manier waarop dat uitgevoerd wordt, verschilt sterk van regio tot regio. Op Schulsilvester (oudjaarsvakantiefeest) in Zürich maken de kinderen en jongeren lawaai met een blikken koebel (Trychle), in Meiringen zijn dat jonge mannen met veebellen, in Wil trekken kinderen met bonte lantaarns door de donkere straten, tijdens het "Silvesterdreschen" (oudjaarsdorsen), in Hallwil wordt het oude jaar met ritmische slagen afgesloten, in Urnäsch gaan de mannen verkleed als "Silvesterklausen" (oudjaars-klaas) onder luid gebel van huis naar huis – en 's avonds van restaurant naar restaurant.

Carnavalsgebruiken

Voor de vastentijd je nog één keer aan alle mogelijke zinnelijke levensvreugde overgeven, uitgelaten en mateloos zijn, met behulp van maskers en vermommingen tijdelijk een andere identiteit aannemen is het doel, dat de carnavalsviering in alle delen van Zwitserland bindt. Verder zijn de carnavalsvieringen en -tradities in de verschillende gebieden - zoals dat typerend voor het federalistische Zwitserland is - behoorlijk verschillend. De carnavalsgebruiken vormen een mengeling van verschillende heidense voorjaarsgebruiken, christelijke cultushandelingen en wereldse volksgebruiken. In enkele kantons is het carnaval hoofdzakelijk gebaseerd op het heidense gebruik om met veel lawaai de door de winterse demonen bedreigde zon te hulp te schieten en met maskers de boze geesten evenals de winter te verjagen. Tot de bekendste gebeurtenissen horen het carnaval van Bazel en Luzern, de Rabadan in Bellinzona, de Chienbäse in Liestal en de Tschäggättä in het Lötschendal; andere carnavalsgebruiken zijn o.a. het carnaval in Solothurn, de Greth-Schell in Zug, de Gidio Hosestoss in Herisau evenals in het Frans-Zwitserse deel bijvoorbeeld het carnaval in Fribourg en de Brandons in Waadtland.

Winter en gebruiken om de winter te verdrijven

Terwijl veel winterse gebruiken om het verdrijven van geesten en demonen evenals van de winter gaan, of met de kerkelijke feesten of jaarwisseling samenhangen, zijn er enkele tradities, die niet echt in een van deze schema's passen. Hiertoe worden o.a. het knallen met de zweep in Schwyz gerekend, de sleetocht van de vrijgezelle jeugd met de naam Schlittéda in Engadin, het aansteken van de stropop tijdens het L'Hom Strom in Scuol of het romantische Lichterschwemmen in Ermensee. In Untervaz slingeren tijdens de "Schiibaschlaha" (of “Trer Schibettas” in het Reto-Romaans) op de eerste vastenzondag jongens en vrijgezelle kerels gloeiende houten schijven vanaf een heuvel het dal in. Iedere schijf wordt begeleid door een harde schreeuw, gewijd aan een meisje of een vrijgezelle vrouw: «Höut un dära sei si, dia Schiiba, dia Schiiba ghört dr Anna» – terwijl op het dorpsplein het muziekgezelschap de verzamelde gemeente bij het zingen van de 'schijfschlager' begeleidt. Deze traditie is in soortgelijke vorm o.a. ook in de kantons Basel-Land (“Reedlischigge” of “Schyblischiesse”) Glarus (“Schybefleuge”) en Solothurn (Scheibensprengen) te vinden.

Voorjaarsgebruiken

In Zürich eindigt de winter officieel met het "Sechseläuten" (na de winter wordt de klok weer om 6 geluid), dat meestal op de derde zondag/maandag in april plaatsvindt (wanneer het dan net Pasen is, wordt het Sechseläuten een week verschoven). Eigenlijk zou het voorjaarsfeest in maart plaats moeten vinden, maar de datum werd wegens de meestal onzekere weersgesteldheid een maand verschoven. De oorsprong van het bekende Sechseläuten stamt uit het jaar 1818, toen een eerste gilde (beroepsvereniging) nachtelijke optochten ondernam - hoog te paard en begeleid door muziek. Al in het jaar daarop trokken verschillende gilden met muziek en fakkels door de stad en in 1820 was er sprake van een eerste gecoördineerde optocht. In 1839 vond de eerste "Sechseläute-optocht" plaats, waaraan alle gilden deelnamen. Sinds 1862 wordt ter afsluiting van het Sechseläuten de zogeheten 'Böögg' (namaaksneeuwpop) verbrand. Stipt 18 uur wordt een meer dan drie meter hoge en 80 kg zware, met vuurwerk gevulde 'sneeuwpop' aangestoken. Wanneer de kop van de Böögg explodeert, geldt de winter als officieel beëindigd. Hoe sneller dat het geval is, hoe heter en langer de zomer wordt, zo zegt men. Andere voorjaarsgebruiken die jaarlijks voor een regionaal spektakel zorgen, zijn o.a. de luidruchtige Chalandamarz (bellenoptocht) in Engadin, de door fluiten en trommelen begeleide Vignolage in Sierre, de zingende kinderen tijdens het Feuillu in Cartigny of de rondrit "omhoog" in Beromünster. De "Eierläset" is een oud voorjaars- en vruchtbaarheidsgebruik om de winter te verdrijven, hetgeen door plaatselijke gymnastiekverenigingen in allerlei gemeenten van de kantons Aargau, Solothurn en Basel-Land gevierd wordt. Twee banen met elk tachtig tot honderd hopen zaagsel worden gemaakt en in elke hoop wordt een ei gelegd. Twee groepen staan tegenover elkaar - de ene vertegenwoordigt de winter, de andere het voorjaar. Elke groep bestaat zelf dan weer uit verschillende lopers en een of twee vangers. De wedloop tussen voorjaar en winter begint. De lopers rennen naar het ei dat het verst verwijderd is, pakken het op, rennen terug en gooien het naar de vanger en zijn Spreuwanne (kafmand). Valt er een ei op de grond, dan moet het stuk nog een keer gelopen worden, maar er mag verder geen ei naar de vanger worden gebracht. Alle lopers vervullen dezelfde taak. Bij elk tiende ei moet er bovendien een speciale opdracht worden uitgevoerd. De groep, die het eerst alle eieren aan de vanger bezorgd heeft, wint. Er wordt evenwel af en toe corrigerend ingegrepen, om te garanderen, dat het voorjaar wint. In slechts enkele gemeenten van het kanton Aargau zijn er varianten met pompeuze figuren zoals bijvoorbeeld de "Schnäggehüsler", de "Stächpälmler" of "pastoor". Deze figuren worden of bij de winter of bij het voorjaar ingedeeld. Terwijl de lopers onderweg zijn, ontstaan er tussen beide groepen stevige symbolische twisten.

Passietijd en Pasen

Pasen staat voor het christendom centraal en daarom hebben veel gebruiken ook een kerkelijke achtergrond. Elke regio viert op haar eigen wijze – in heel Zwitserland bekend is het Eiertütsche (eitje tikken): Met de punt van je meest versierde ei sla je op de eipunt van je tegenspeler. Wanneer de schaal breekt, krijgt je tegenspeler het ei. In de stad Bern wordt het "Eiertütschen" publiekelijk uitgevoerd op een plaats in de binnenstad – een lokaal gebruik, dat kort geleden bijna uitgestorven was. Je moet een beetje behendig zijn voor de oude Zürichse traditie 'Zwänzgerle', een gebruik om het zakgeld van de kinderen wat te verhogen (om technische redenen kon het gebruik niet aan de prijsstijgingen worden aangepast). De spelregels zijn eenvoudig: de kinderen steken hun paaseieren uit naar de volwassenen en die moeten proberen, een muntje van twintig rappen zo op het ei te gooien dat het blijft zitten. Valt het muntje eraf, dan zijn het ei en het geldstuk van het kind, blijft het muntje (Zwänzgerli) zitten, dan krijgt de werper het ei en het geld. Tijdens de paasprocessies in Mendrisio wordt de gang van Christus naar Golgatha verbeeld, waarbij ca. 200 personen de Joden en Romeinen verbeelden, die een rol bij de kruisiging van Christus gespeeld hebben. Deze traditie voert minstens terug naar de tijd rond 1600. Een ander gebruik sluit aan op een oude traditie uit de 15e eeuw: de Pleureuses van Romont. Zodra de lezing van de bijbelse lijdensgeschiedenis bij het treuren om Jezus aangekomen is, zet een donkere optocht van in het zwart geklede en rouwsluiers dragende vrouwen zich in beweging. Op een scharlakenrood kussen dragen ze de folterwerktuigen van Christus: doornenkroon, gesel, nagels, hamer, tang. Vooraan lopen de Maagd Maria en de boeteling, beladen met een kruis. Andere gebruiken zijn o.a. het Clefele in Schwyz, waar schoolkinderen met hun Clefeli klepperen (van vingergaten voorziene kleine plankjes in de handen), de feestelijke palmzondagprocessies in het kanton Luzern of het Surrexit-zingen in Estayer-le-Lac, waar rond middernacht mannen met koperen blaasinstrumenten de paasboodschap muzikaal verkondigen – eerst voor de kerk, dan voor het kerkhof en vervolgens in het hele dorp. Bepaalde paasgebruiken zijn helemaal verdwenen, andere werden weer tot leven gewekt en er werden nieuwe gebruiken uitgevonden. In de West-Zwitserse stad Nyon bijvoorbeeld worden met Pasen de bronnen versierd. Het gebruik is pas zo'n 30 jaar oud, maar niemand van de huidige organisatoren kan zich herinneren, waar het idee eigenlijk vandaan kwam.
Bron

www.swissworld.org www.lebendige-traditionen.ch

Kies een andere weergave van de resultaten: