Zwitserse filmcreatie
Zwitserland kent geen filmindustrie in Hollywood-stijl. Filmmakers zijn derhalve aangewezen op overheidssubsidies. Filmstimulering gebeurt uit het besef dat de film het potentieel heeft om de culturele identiteit van een land vast te leggen.
Internationaal gezien is de Zwitserse film een laatbloeier. Tot 1930, de beginperiode van de gesproken film, was er in Zwitserland geen gevestigde filmindustrie. Dit ligt o.a. aan de culturele eigenheid van Zwitserland, de opdeling in drie grote taalgebieden. Alle delen - Franstalig, Italiaanstalig en Duitstalig Zwitserland - oriënteerden zich veel meer op de buurlanden dan op elkaar. Derhalve was en is de ontwikkeling van de filmgeschiedenis in elk deel van Zwitserland verschillend.
In 1937 besloot men in Zwitserland tot een officieel cultuurbeleid ten dienste van de nationale eenheid, die omschreven werd als “Geistiger Landesverteidigung” (GLV) (Geestelijke defensie). Voor de film betekende dit tussen 1938 en 1943 een eerste periode van bloei, omdat grote culturele stimuleringen ook de film ten goede kwamen. In 1944 richtte Praesens-Film zich op meer kritische thema's, wat leidde tot problemen met rechtse kringen die voorstander waren van censuur. Leopold Lindtberg kon beter overweg met zijn kritische bedoelingen en voerde de regie bij een van de belangrijkste werken uit de Zwitserse filmhistorie: Die letzte Chance (1945). De film schildert de avontuurlijke vlucht van een multinationale groep vluchtelingen van Italië naar Zwitserland. De film oogstte tot ver buiten de landsgrenzen succes en boekte in de VS vanaf november 1945 indrukwekkende resultaten. Nadat Lazar Wechsler al in 1944 met het vluchtelingendrama Marie-Louise van zich deed spreken, stonden de poorten van Hollywood voor hem open. In 1946 produceert zijn Praesens-Film samen met de Metro-Goldwyn-Mayer-Studio's onder regie van de inmiddels VS-topregisseur Fred Zinnemann, die vanwege de nazi's naar Oostenrijk emigreerde, Die Gezeichneten / The Search. De film werd overladen met internationale onderscheidingen. Andere resultaten van de internationale oriëntatie van Praesens waren Swiss Tour (1949) en Die Vier im Jeep (1951), over het naoorlogse bezette Wenen, beide door Leopold Lindtberg geënsceneerd.
Bloeitijd thuislandfilms
Nadat het succes van Praesens-Film in voorgaande jaren, gebaseerd op humanitaire inhoud tegen de achtergrond van negatieve buitenlandse politieke ontwikkelingen, tanende was, kon men met de door Luigi Comencini geënsceneerde thuislandfilm Heidi (1952) vrijwel naadloos aansluiten bij het volgende succesconcept. De film trok alleen al in Duitsland meer dan een miljoen bezoekers en werd vervolgens niet alleen uitgerold in de meeste Europese landen, inclusief het Oostblok, maar ging ook met 300 exemplaren naar de Verenigde Staten. Dit succes vroeg om een vervolg, dat er met Heidi und Peter (1955), de eerste Zwitserse kleurenfilm, ook kwam en oogstte nog meer successen. De “Intacte Wereld”-kitsch in deze films, tegen de achtergrond van schitterende berglandschappen en bloeiende alpenweiden, was internationaal gevraagd en hiermee sloot het oorlogsneutrale Zwitserland zich inhoudelijk en stilistisch feitelijk aan bij Duitse en Oostenrijkse naoorlogse films. Franz Schnyder, de regisseur van het Heidi-vervolg, beleefde in de jaren daarna het hoogtepunt van zijn carrière en behoorde tot de beste en meest gevraagde regisseurs van Zwitserland. Start van deze ontwikkeling was zijn in 1954 geënsceneerde onverwachte succes Uli der Knecht.Schnyder verfilmde andere Gotthelf-stukken zoals Uli der Pächter (1955), Die Käserei in der Vehfreude (1958), Anne Bäbi Jowäger – Deel 1: Wie Jakobli zu einer Frau kommt (1960), Anne Bäbi Jowäger – Deel 2: Jakobli und Meyeli (1960) en Geld und Geist (1964). Deze Gotthelf-verfilmingen waren enerzijds populair bij een breed Zwitsers publiek, omdat deze aanleunden tegen het Intacte Wereld-cliché, anderzijds werden deze juist om die reden bekritiseerd door verschillende media en de jeugd. Ook de toekenning van de sensatiezuchtige titel in de BRD van Wildwest im Emmental voor Die Käserei in der Vehfreude zorgde voor de nodige controverse. De film trok in Zwitserland een bijna ongelofelijk bezoekersaantal van 1,8 miljoen - op toentertijd circa 5,5 miljoen inwoners. Een grote flop moest Schnyder echter verwerken met Zwischen uns die Berge (1956). De film molk de Zwitserse clichés zo zeer uit, dat het eigenlijk onbedoeld komisch werd. Schnyder voelde deze consequenties al aankomen aan de hand van het draaiboek voordat de opnames startten, maar was echter door Praesens-Film contractueel gebonden aan de enscenering.
De vroege Zwitserse film
De eerste “andere” Zwitserse films ontstonden vanaf 1955 en kwamen uit het Franstalige deel. De invloeden kwamen derhalve meer van de Franse Nouvelle Vague dan van ontwikkelingen in het Duitstalige gebied, vooral ook omdat de Franse Nouvelle Vague reeds in de jaren 50 zichtbaar was, waar Duitstalige filmproducties zich nog concentreerden op banale vermaaks- en thuisland-kitsch. De 25-jarige Jean-Luc Godard gaf in 1954 met Opération Breton in Zwitserland zijn eerste teken van filmisch leven. Hij financierde deze film en het vervolg Une femme coquette (1955) zelf, maar ging daarna vanwege de moeizame arbeidsverhoudingen in Welschland toch weer terug naar Parijs. Een film die tot vroeg Zwitsers werk wordt gerekend, werd reeds in 1957 in Venetië getoond. Claude Gorettas en Alain Tanners in het Verenigd Koninkrijk geproduceerde Nice Time (1957) gaf een modern caleidoscopisch beeld van het stadsleven op geraffineerd impressionistische wijze.In de daaropvolgende jaren debuteerden ook jonge Zwitserse filmmakers in Duitstalig Zwitserland. Markus Imhoof trad in 1961 met Wehe, wenn wir losgelassen in het voetlicht, Alexander J. Seiler ensceneert in hetzelfde jaar Auf weissem Grund en Fredi M. Murer realiseert in 1963 met Der gefallene Turm von Pisa zijn eerste film.
De avant-garde en experimentele film vond in Peter von Gunten en de Gruppe AKS uit Biel, bestaande uit Urs Aebersold, Clemens Klopfenstein en Philip Schaad ook in Zwitserland vertegenwoordiging en voortdurende creaties.
Films uit Duitstalig Zwitserland, eveneens met buitenlands aanzien, kwamen van Daniel Schmid, Kurt Gloor, Markus Imhoof, Peter von Gunten en ook Xavier Koller. In Romandië zorgde de Geneefse televisie met coproducties en medefinanciering van filmprojecten voor een succesvolle opleving van filmcreaties. In samenwerking met de Groupe 5 rondom Alain Tanner, Claude Goretta, Michel Soutter, Jean-Louis Roy en Jean-Jaques Lagrange - later vervangen door Yves Yersin - ontstonden bioscoopfilms zoals Tschechow ou le miroir des vies perdues (1965), A propos d'Elvire (1965) en Charles mort ou vif (1970) en enkele Tv-films. In de jaren 70 domineerde Francis Reusser de Franstalige Zwitserse film, die ook nu nog getuigt van een bloei van tijdgebonden, geraffineerde films in Zwitserland uit de jaren 70. Belangrijke voorbeelden zijn Alain Tanner's La salamandre (1971) en Les années lumière (1981), Michel Soutter's Les arpenteurs (1972) en Claude Goretta's Pas si méchant que ça (1975). Grote successen vierde Fredi M. Murer in 1986 met Höhenfeuer, dat op realistische wijze het leven thematiseert van bergboeren. De bekendste en indringendste verwerking van het Zwitserse verleden verscheen in 1981 met de Zwitsers-Oostenrijks-West-Duitse coproductie Das Boot ist voll. De titel verwijst naar het restrictieve Zwitserse asielbeleid tijdens de tweede wereldoorlog. Markus Imhoof’s consequente enscenering met het uitstekende acteursgezelschap rond Tina Engel en Curt Bois, leverde een belangrijke bijdrage aan het succes van de film, die onder andere een Oscarnominatie kreeg in de categorie “beste niet-Engelstalige film”.
Documentaire filmtraditie
Enkele documentaire filmmakers zoals Fredi M. Murer, Alexander J. Seiler, Richard Dindo en het Duo Walter Marti/Reni Mertens domineerden eveneens het Duits-Zwitserse filmcircuit. Richard Dindo reconstrueerde bijvoorbeeld met Niklaus Meienberg Die Erschiessung des Landesverräters Ernst S. (1976) en thematiseerde de Schweizer im Spanischen Bürgerkrieg (1974). Een geruchtmakende productie van Dindo was ook de reconstructie van de doodsoorzaak van vier jeugdigen tijdens een jongerenopstand, die slachtoffers werden van het politieoptreden: Dani, Michi, Renato en Max (1987). Sedert enkele jaren biedt het Filmfestival Locarno veel ruimte voor de Zwitserse documentaire film. Het genre heeft in Zwitserland een lange traditie en inmiddels ook in het buitenland een uitstekende reputatie. Enkele Zwitserse documentaire films kregen uitnodigen voor de grote festivals van Berlijn en Cannes. Tegenwoordig draaien Zwitserse documentaire films ook in grote bioscoopzalen, met name in Duitstalig Zwitserland. Enkele werden zelfs publiekstreffers. Daartoe hoort bijvoorbeeld Mani Matter – Warum syt dir so truurig? (2002) van Friederich Kappeler en is volgens Pro Cinema een van de meest bekeken documentaire films van Zwitserland tussen 1995 en 2012. “Gedurende meer dan een decennium zag men speelfilms niet zozeer als culturele uiting, maar als vermaak”, aldus Marcy Goldberg, docente filmhistorie en -theorie aan de universiteit van Luzern. De publiekrechtelijke televisiezenders hebben de rol overgenomen als grootste producenten en distributeurs van documentaire films. In die studio's hebben veel regisseurs hun eerste beelden gemonteerd, van de oude garde Alain Tanner en Claude Goretta, en van de jongere generatie Lionel Baier en Fernand Melgar. “Dit beleid heeft het vermoedelijk mogelijk gemaakt, dat er een documentaire cultuur is ontstaan; onder regisseurs, maar ook onder het publiek”, aldus filmhistorica Yvonne Zimmermann, coauteur van een van de weinige boeken over documentaire films. Talrijke filmclubs en gespecialiseerde festivals - zoals Nyon, dat gewijd is aan de documentaire film, of Solothurn, dat zich richt op de Zwitserse film - hebben hun bijdrage geleverd het publiek voor dit genre te enthousiasmeren. De voor een Oscar genomineerde War Photographer van Christian Frei (2001) is in veel landen uitgebracht, zo ook Elisabeth Kübler-Ross van Stefan Haupt (2003), Die Frau mit den 5 Elefanten van Vadim Jendreyko (2009), Sounds of Insects van Peter Liechti (2009) en Cleveland vs. Wall Street van Jean-Stéphane Bron (2010). De documentaire film More than Honey van regisseur Markus Imhoof thematiseert de wereldwijde bijensterfte. Op het Filmfestival Locarno beleefde deze in 2012 de première en werd in hetzelfde jaar getoond op het Filmfest Hamburg. De film werd uitverkoren tot de succesvolste Zwitserse bioscoopfilm van 2012 en tot succesvolste Zwitserse documentaire film aller tijden. Behalve de Zwitserse Filmprijs heeft de film ook in Duitsland en Oostenrijk telkens de hoogste nationale onderscheiding voor documentaire films in de wacht gesleept.Internationaal bekende Zwitserse filmmakers
Xavier Koller, die reeds met Das gefrorene Herz (1979) en Schwarze Tanner (1986) Zwitserse filmhistorie schreef, won voor zijn vluchtelingendrama Reise der Hoffnung als tot dusver enige Zwitserse regisseur een Oscar voor de Beste Buitenlandse Film. De film gaat over een Koerdisch gezin, dat op zoek naar een beter leven naar Zwitserland vlucht. De grote doorbraak in Hollywood is tot op dit moment nog niet gelukt. H. R. Giger – Hansruedi Giger, eigenlijk Hans Rudolf Giger, beter bekend als HR Giger - werd in 1940 in Chur geboren, is schilder, beeldend kunstenaar en Oscarwinnaar. In 1980 ontving hij de onderscheiding “Best Achievement for Visual Effects” voor de creatie van het hoofdpersonage en diens leefwereld in Ridley Scott's Alien. Een man met uithoudingsvermogen is Oliver Keller, die als stuntman voor filmsterren door het vuur gaat. Of Arthur Cohn uit Bazel, die door zijn bijdragen aan draaiboeken de eerste contacten legde met de Amerikaanse filmindustrie. Inmiddels is hij de succesvolste Zwitserse filmproducent en heeft als enige niet-Amerikaanse producer een ster op de Hollywood-Boulevard Walk of Fame. Een andere, die den Träumen fliegen lernt, (de Dromen leert Vliegen) - zo heet een van zijn films - is regisseur Marc Forster uit Bünden. Hij leerde het filmvak in New York en het lukte hem met zijn eerste werk Monsters Ball meteen een Oscarnominatie in de wacht te slepen. Hij was ook als regisseur verantwoordelijk voor de Bondfilm Quantum of Solace, waarin ook de Zwitser Anatole Taubman optreedt, die in meer dan 50 bioscoop- en Tv-producties hoofd- en bijrollen speelde. Internationale bekendheid verwierf ook Ursula Andress in 1962 als allereerste Bond-girl in de eerste film Dr. No. Silvio Soldini, een Italiaans-Zwitserse filmmaker, bracht in 2000 zijn tot dan succesvolste film uit Pane e Tulipani (Brood en Tulpen). Hij werd meermaals onderscheiden met de David di Donatello, de Italiaanse tegenhanger van de Oscar, o.a. voor Beste Film van het Jaar, Beste Regie en de Beste Mannelijke Hoofdrol, gespeeld door Bruno Ganz. De Zwitserse acteur Ganz is internationaal actief en verwierf vanaf medio jaren 70 bekendheid met verschillende rollen, o.a. in Wim Wenders' Der amerikanische Freund en Der Himmel über Berlin. In de door Bernd Eichinger geproduceerde film Der Untergang speelt Ganz de rol van Adolf Hitler. Zijn acteerprestatie in deze rol ontving in verschillende media laaiende kritieken.Filmfestivals & Open Airs
Filmfestival Locarno Vision du Réel – Internationaal Filmfestival Nyon Filmdagen Solothurn Zurich Film Festival Fantoche - Internationaal Festival voor Animatiefilms in Baden Dagen van de korte film Winterthur Neuenburg Internationaal Festival van de Fantastische Film (NIFFF)Doorverwijzende koppelingen
Zwitserse films